Illich - Ontscholing van de maatschappij

 Benaderingswijze
Controverses
Citaten
Basisconcepten
Stellingen

Naar de Apologie van de school
Naar netwerk van controverses
Naar netwerk van benaderingswijzen
Terug naar de homepage

Onderwijs(her)vorm(ing)
Macht
 

 

De essentie die Illich naar boven wil laten komen in ‘Ontscholing van de maatschappij’ is dat scholing algemene vorming en ontwikkeling onmogelijk maakt, dit geldt ook voor het oprichten van instellingen die gebaseerd zijn op de huidige scholen. Vanuit zijn standpunt is onderwijs noch te bereiken door een nieuwe houding tussen leerkrachten en leerlingen noch door de uitbreiding van leermiddelen en leerstof of door uitbreiding van verantwoordelijkheid van de opvoeder. Het is de ganse maatschappij die dient ontschoold te worden.

Momenteel zoeken onderwijshervormers vooral naar nieuwe onderwijstrechters (instituties om onderwijs mogelijk te maken). Dit wil Illich omkeren door te zoeken naar het institutionele tegendeel hiervan: er moeten onderwijsnetwerken worden opgericht die ervoor zorgen dat elk individu ieder moment van zijn leven kan veranderen in een moment van leren, participatie en begaan zijn.

Om dit institutioneel tegendeel te vinden gaat Illich in op de vraag waarom de maatschappij de school zou moeten opheffen. Hij is van mening dat naarmate men verder in de toekomst gaat, men steeds meer de neiging vertoont verdere institutionalisering aan te bevelen. Om het tegendeel hiervan mogelijk te maken, stelt hij voorwaarden vast waarbij wetenschappelijk onderzoek nodig zal zijn. Er zal technologie moeten worden gebruikt om een instelling te creëren die persoonlijke, creatieve en zelfstandige interactie en het ontstaan van waarden mogelijk zal maken, maar die niet door technocraten zal worden beheerst.

Binnen de samenleving en het onderwijssysteem leven momenteel twee grote illusies die Illich beschrijft en ontkracht. Deze illusies zijn dat gelijke onderwijskansen een wenselijk en bereikbaar doel zijn (maar niet via verplicht onderwijs) en dat leren beschouwd wordt als het resultaat van onderricht.

Hierop volgend spreekt Illich over de ritualisering van de vooruitgang. Iedereen die aan de universiteit studeert is volgens Illich reeds ingewijd in een soort van consumptiemaatschappij. Het huidige onderwijs is een ritueel dat tolerantie vereist ten opzichte van fundamentele tegenstrijdigheden die leven tussen bepaalde in stand gehouden mythes en instituten en dit wordt niet ter discussie gesteld. Ontnuchtering en bevrijding van het centrale maatschappelijke ritueel en de hervorming van dit ritueel zouden zorgen voor een radicale verandering. Dit ritueel hangt samen met vier mythes die in stand worden gehouden door instituties, waaronder de school. Een van deze mythes is de mythe van de meetbaarheid van waarden die inhoudt dat mensen ingeleid worden in een wereld waarin alles meetbaar is, zelfs de mens, wat naar de mening van Illich niet zo is.

Als laatste bekritiseert hij ook het spectrum van de instituties. Net zoals mensen en ideologieën al geplaatst werden op een spectrum van links en rechts (bijv. politieke partijen) kunnen ook instituties op dergelijke manier geplaatst worden. Momenteel staan scholen uiterst rechts op dit spectrum. Onderwijs zou moeten verschuiven naar de linkerkant, de “gezellige” kant van het spectrum, waar instituties functioneren om gebruikt te worden in plaats van om te produceren.

Om al deze argumenten uit te werken gaat Illich over naar een alternatieve onderwijsvorm, namelijk een netwerk van onderwijsmogelijkheden. Dit netwerk zou bestaan uit vier kanalen die aanwezig zijn bij het proces van leren: dingen, modellen, partners en ervaren ouderen. Door deze kanalen op te richten komt leren centraal te staan in plaats van scholing. 

Top

Benaderingswijze

Top

Controverses

Top

Citaten

In feite is leren die menselijke activiteit die het allerminst behoefte heeft aan manipulatie door anderen. De meeste kennis en vaardigheden zijn niet het resultaat van onderricht, maar veeleer het resultaat van een onbelemmerde participatie in een zinvolle omgeving. De meeste mensen leren het best, wanneer zij ‘erbij zijn’. Desondanks worden zij er door de school toe gedwongen hun persoonlijke, cognitieve groei te identificeren met een gecompliceerde planning en manipulatie.
(p. 64)

De nieuwe wereldkerk is de kennisindustrie; gedurende een toenemend aantal jaren van iemands leven is zij zowel de leverancier van opium als de werkbank. Ontscholing ligt dan ook aan de wortel van iedere beweging die zich de bevrijding van de mens ten doel stelt. (p. 74)

Velen die zichzelf als revolutionairen beschouwen, zijn slachtoffers van de school. Zelfs ‘bevrijding’ zien zij als een product van een institutioneel proces. Zulke illusies kan men slechts uit de wereld helpen, indien men zich van de school bevrijdt. Het inzicht dat het meeste leren geen onderricht vereist kan niet door manipulering of planning tot stand komen. Ieder van ons is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn eigen ontscholing en alleen wij zelf hebben de macht het te doen. (p.74)

De meeste alternatieven [...] zijn gericht op de verbetering van wat ik de verschoolde maatschappij noem.  Zelfs de schijnbaar radicale critici van het onderwijssysteem zijn niet bereid het idee op te geven dat zij een verplichting ten opzichte van de jeugd, vooral de arme jeugd, hebben, een verplichting om ze of met liefde of door vrees een behandeling te geven die ze pasklaar maakt voor de maatschappij die aangewezen is op een gedisciplineerde specialisatie van zowel haar producenten als haar consumenten en eveneens aangewezen is op het volledig moreel gebondenzijn aan de ideologie die economische groei op de eerste plaats stelt. (p. 98 – 99)

Het alternatief voor het afhankelijk zijn van scholen is niet dat we openbare middelen gebruiken voor een of ander nieuw idee dat mensen ‘doet’ leren; het is veeleer het creëren van een nieuw soort educatieve relatie tussen de mens en zijn omgeving. (p. 105)

Ik wil laten zien dat het omgekeerde van de school mogelijk is: dat we kunnen vertrouwen op leren dat zichzelf motiveert in plaats van dat we leraren in dienst hebben die de leerling moeten omkomen of dwingen om de tijd en de wil te vinden om te leren; dat we de lerende mens nieuwe banden met de wereld kunnen geven in plaats van door te gaan de leraar te laten functioneren als trechter van leerprogramma’s. (p. 105 – 106)

Top

Basisconcepten

Verscholing maatschappij

Het huidig onderwijssysteem maakt algemene vorming en ontwikkeling van kinderen en jonge mensen onmogelijk. Dit is niet het gevolg van de vorm die scholen vandaag aannemen, maar wel van het fundamentele concept van de school zelf: de school als bureaucratische instelling. De school is hierbij slechts een voorbeeld van de verscholing van onze gehele maatschappij.

De moderne maatschappij is gericht op produceren en consumeren: instellingen produceren allerlei goederen die vervolgens geconsumeerd worden. Uit dit proces ontstaat een nieuwe en steeds grotere vraag. Productie van goederen wordt dus geïdentificeerd met de vraag ernaar, wat resulteert in een institutionalisering van onze waarden. De waarden die wij, mensen, en de maatschappij namelijk goed achten, worden vastgelegd door instituten en omgezet in een vraag naar wetenschappelijk geproduceerde goederen. De instituten, geleid door bureaucraten en technocraten, confronteren ons met noden waarvan we ons niet bewust waren en spelen hierop in.

Het feit dat deze waarden wetenschappelijk geproduceerd worden, speelt een belangrijk aspect in de institutionalisering en verscholing van de maatschappij: technocraten hebben zo immers de macht in handen om de (consumptie)maatstaven te bepalen van de maatschappij. Hierdoor vormt de huidige maatschappij het resultaat van een bewuste planning.

De school past perfect in dit plaatje van de verschoolde maatschappij: leren wordt gezien als het resultaat, het product van onderricht. Onderwijsmogelijkheden worden aangepast om binnen de planning van de maatschappij te passen. Leren wordt gepland, gemanipuleerd. Niet vormen, maar kinderen inpasbaar maken is het doel van schoolonderwijs. Deze gedachte insinueert dan ook dat bepaalde mensen, met name leden van de bureaucratie, in staat zijn het onderscheid te maken tussen wat noodzakelijk is voor vorming van anderen en wat niet. Zij zouden de persoonlijke doelstellingen van anderen mogen vaststellen, specifiëren en evalueren. Hierin bevindt zich de irrationale consequentie van bureaucratisch gedrag en het verborgen leerprogramma van schoolonderwijs: een leerprogramma gevormd door het ritueel van scholing zelf. Binnen dit ritueel heeft een minderheid de voorrechten om de meerderheid neerbuigend te behandelen. Op deze manier worden kinderen en jonge mensen ingewijd in een op groei georiënteerde consumptiemaatschappij: het kind als consument in de kennisindustrie. De school is het geprogrammeerde proces dat de mens bewerkt voor een geprogrammeerde wereld.

De huidige maatschappij steunt op enkele illusies, mythes, die in stand gehouden en doorgegeven worden door middel van schoolonderwijs. Deze mythes zijn de mythe van geïnstitutionaliseerde waarden (leren is het resultaat van onderricht), de mythe van meetbaarheid waarden (alles is meetbaar, ook fantasie en mens zelf), de mythe van waarde-pakketten (leerprogramma’s zijn het resultaat van productieproces) en de mythe van de zich automatisch continuerende vooruitgang (groei wordt gezien als nooit eindigende consumptie).

De maatschappij ontscholen betekent tegelijkertijd ze ontmythologiseren. Deze twee aspecten gaan hand in hand: de mythes kunnen niet uit de wereld geholpen worden indien we niet bevrijd worden van de school. Die ontmythologisering houdt in dat we inzien dat leren niet ontstaat door manipulering of planning, maar dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen vorming. Iedereen is verantwoordelijk voor wat er van hem wordt of geworden is. Dit houdt ook in dat we onze ontscholing in eigen handen moeten nemen.

Door te ontscholen zal men zijn visies moeten aanpassen waaronder het beeld dat wij hebben van de mens. Momenteel is de mens, of het kind, het wezen dat scholen nodig hebben als cliënt. De mens wordt gezien als de Prometheïsche mens: een mens wiens waarde gemeten wordt naar zijn vermogen om geïnstitutionaliseerde producten te consumeren en ongedaan te maken, het geloof in een consumentenethiek. Met ontscholing kan er gehoopt worden op de terugkeer van de Epimetheïsche mens: de mens die andere mensen liefheeft boven producten en die samenwerkt met de Prometheïsche mens om technologie te ontwikkelen met als doel de andere beter te kunnen hoeden, verzorgen en dienen. 

 

Een netwerk van onderwijsmogelijkheden

Als voorstel van een institutioneel tegendeel van schoolonderwijs stelt Illich een netwerk van onderwijsmogelijkheden voor die voor elk individu meer mogelijkheden schept om ieder moment van zijn leven te transformeren in een tijd van leren, participatie en begaan zijn. In plaats van openbare middelen te gebruiken voor een nieuw idee dat mensen zou ‘doen’ leren, moet dit netwerk een nieuw soort educatieve relatie tussen de mens en zijn omgeving creëren en wordt er vertrouwd op leren dat zichzelf motiveert.

Binnen dit netwerk staat leren centraal in plaats van scholing en staan er drie doelstellingen voorop. Allereerst moet iedereen die wilt leren, op elk moment toegang hebben tot beschikbare mogelijkheden. Daarnaast moeten zij die willen delen wat zij weten, de kans krijgen om hen te vinden die het willen leren. Ten slotte moet er de gelegenheid gegeven worden aan zij die een kwestie willen voorleggen aan het publiek, om dit te doen.

Om deze drie doelstellingen te realiseren stelt Illich vier ‘kanalen’ of leercentra voor die samen een web van mogelijkheden creëren. Die kanalen zijn gebaseerd op het feit dat kinderen opgroeien in een wereld van dingen, omringd door mensen die dienen als model voor vaardigheden en waarden. Leeftijdgenoten, ofwel partners, stimuleren hen tot discussie, wedijver, samenwerking en begrip. Als het kind geluk heeft, wordt het ook geconfronteerd met de kritiek van een ervaren oudere. Opvallend is hier dat leren beschouwd wordt als iets dat buiten de school plaatsvindt. De vier elementen die in dit netwerk  centraal staan, vereisen elk een ander type organisatie om een ruime toegang voor iedereen te verzekeren.

Om de toegang tot dingen of processen te vergemakkelijken, moeten er ‘Informatiediensten voor Onderwijsobjecten’ komen. ‘Dingen’ vormen fundamentele hulpmiddelen bij leren. Om te leren, en meer specifiek methodisch te leren, wordt een speciale toegang tot gewone dingen vereist (bijvoorbeeld recht om in een garage een machine te bedienen) en een gemakkelijke toegang tot speciale dingen (bijvoorbeeld een machine bedienen onttrokken aan de productie).

Naast de objecten zijn er ook leraren nodig die de vaardigheden onderwijzen. Hiervoor voorziet Illich vaardigheidscentra. Deze centra bieden de gelegenheid aan vaardigheidsleraren om hun gegevens en vaardigheden op te geven, samen met de voorwaarden waaronder zij bereid zijn te dienen als model. Een persoon is namelijk pas een bron van vaardigheden als hij zelf toestemt en de tijd, plaats en methode kan bepalen.

Behalve van modellen, leert men ook veel van leeftijdsgenoten, in deze context ‘partners’ genoemd. Om partners met elkaar in contact te brengen, stelt Illich een communicatienetwerk voor waarin iemand zijn gegevens achterlaat en de beschrijving van de activiteit of studie waarvoor hij een partner zoekt.

Als laatste is er nood aan beroepsleraren: ouders hebben leiding nodig om hun kinderen op weg te brengen naar verantwoordelijke educatieve onafhankelijkheid en de leerlingen zelf hebben ervaren leiding nodig om hun onderwijspad te helpen uitstippelen en hun doel te bereiken. Deze beroepsleraren worden onderverdeeld in drie types van speciale onderwijscompetenties: zij die de educatieve centra of netwerken creëren en laten functioneren (onderwijsadministrateurs), zij die leiding geven aan studenten en ouders bij het gebruik van netwerken (pedagogen) en zij die bij moeilijkheden in de intellectuele verkenningstocht optreden (onderwijs-initiators). Deze vakmensen zouden dan samengebracht kunnen worden in een gids.

 

Top

Stellingen

Stelling 1: Onze consumptiemaatschappij is compleet verschoold. Kennis en vaardigheden worden gezien als het product van onderricht en kinderen worden geindoctrineerd met deze geinstitutionaliseerde waarden. De macht van wat geproduceerd en geconsumeerd moet worden, ligt volkomen bij de bureaucraten en technocraten.

De maatschappij is geëvolueerd naar een maatschappij waarin alles in het teken staat van consumeren. Zelfs leren wordt gezien als het product van onderricht. Proces en inhoud worden met elkaar verwisseld en de grens vervaagt: mensen gaan ervan uit dat escalatie (veelvuldige behandeling) leidt tot succes (betere resultaten). Die verscholing is terug te vinden in elk aspect van de samenleving in de vorm van bureaucratische instellingen, waarvan de school er een is. Elke burger is afhankelijk geworden van een geïnstitutionaliseerde behandeling, ook wel psychische onmacht genoemd. Behoeftes van mensen worden omgezet in een vraag naar wetenschappelijk geproduceerde goederen waardoor de macht bij de technocraten en bureaucraten komt. Het zijn zij die de (consumptie)maatstaven van onze maatschappij bepalen. Die institutionalisering van waarden heeft desastreuze gevolgen: de eerder vermelde psychische onmacht, maar ook milieuvervuiling en  sociale polarisering.

Binnen de school wordt die gedachtegang van produceren en consumeren enkel maar versterkt en doorgegeven. De school wordt gezien als een in onderwijs gespecialiseerd instituut waar kennis en vaardigheden het product van een proces zijn: onderricht wordt gekoppeld aan cijfers en diploma’s. De auteurs van Apologie van de school willen dit probleem van institutionalisering en verscholing oplossen door de school meer los te koppelen van de maatschappij en terug te keren naar het ‘schoolse’. Dit is echter geen effectieve langetermijnoplossing: de verscholing zit daarvoor al te diep verweven in de maatschappij.  

Het grootste deel van onze kennis wordt toch immers buiten de schoolomgeving opgedaan. Een leerproces vindt terloops plaats in tegenstelling tot het doelbewust leren binnen geprogrammeerd onderwijs. Leren is namelijk een van de menselijke activiteiten met het minst behoefte aan manipulatie door anderen. Kennis en vaardigheden zijn het resultaat van onbelemmerde participatie in een zinvolle omgeving. Enkele voorbeelden hiervan zijn het leren van de moedertaal, maar ook van een tweede taal en  de vaardigheid om vlot te lezen.

Dit terloops leren dient aangemoedigd te worden door leren te identificeren als ontmoetingen op grond van de wederzijdse wens om van gedachten te wisselen over een bepaald onderwerp. Hier kan er aangesloten worden op wat Apologie van de school zegt: onderwerpen dienen op tafel gelegd te worden en mensen aandachtig gemaakt, dit zonder die mensen te discrimineren. Dit kan echter niet, zoals Apologie het wenst, gebeuren als resultaat van bewuste planning waaraan onderwijs wordt aangepast. De vormende waarde dient naar boven te komen in deze ontmoetingen met een welwillendheid langs beide kanten.

De huidige school past perfect in het plaatje van een maatschappelijk instituut doordat zij de institutionele waarden reproduceert. Zo is bijvoorbeeld de institutionele wijsheid dat een kind school nodig heeft net het product van de school zelf. Scholen houden uiteindelijk mensen vast of zorgen ervoor dat zij zullen passen in een of ander instituut. Dit is een onderdeel van het verborgen leerprogramma van schoolonderwijs: een programma gevormd door het ritueel van de school zelf waarin de bureaucratie het voorrecht heeft doelstellingen van jonge kinderen vast te leggen.

 

Stelling 2: Ontscholing is de enige manier waarop wij onszelf kunnen bevrijden van de mythen waarmee wij op school worden geïndoctrineerd en onze vormgeving weer in eigen handen kunnen nemen.

De school houdt bestaande mythen in stand die resulteren in een verschoolde maatschappij waarin consumptie vooropstaat. De school en de hiermee gepaard gaande nooit eindigende consumptie is de nieuwe wereldreligie geworden van de moderne maatschappij. Burgers worden onderworpen aan een leerprogramma met opklimmend niveau. Men wordt pas toegelaten of aangenomen op basis van het vooraf genoten onderwijs. Op school worden maatschappelijke rollen aangeleerd en toegewezen. Het feit of kinderen hier al dan niet in slagen, wordt bepaald door de mening van anderen. Terwijl de auteurs van Apologie van de school suggereren de school verder los te koppelen van de maatschappij en te pleiten voor een democratisering van lesinhouden, is de enige echte oplossing voor het wegwerken van deze discriminatie het breken van het schoolmonopolie.

Het huidige onderwijssysteem vervult een drievoudige functie: ze beschouwt zichzelf als de schatkamer van de maatschappijmythe, institutionaliseert de tegenstrijdigheden binnen deze mythe en reproduceert en verbloemt de discrepantie die er is tussen deze mythe en de werkelijkheid. Om de mensen los te kunnen maken van deze mythe, is er een ontnuchtering en bevrijding nodig van dit centrale maatschappelijke ritueel. Pas als het ritueel van de school hervormd wordt, kan er een radicale verandering plaatsvinden.

Vandaag staat de school institutioneel rechts. Als productieproces en bureaucratische instelling laat zij mensen afstand doen van hun eigen verantwoordelijkheid voor hun eigen groei. De school moet verschuiven naar links en hiervoor dient de maatschappij in te zien dat ieder persoonlijk verantwoordelijk is voor zijn ontscholing en dat alleen de mens zelf de macht heeft om dit te doen. De mens kan pas vrijgemaakt worden van de voortschrijdende consumptie nadat hij zich van de schoolplicht heeft bevrijd. Herstructureren van rechts naar links betekent hier het vermogen van onderwijs om te ‘doen’ te vergroten in plaats van haar vermogen om te ‘maken’. Hoewel Apologie van de school ook pogingen doet deze verschuiving te laten plaatsvinden, zal zij hierin niet slagen door enkel de school te hervormen.

Om de maatschappij te kunnen ontscholen moet het dubbele gezicht van het leerproces erkend worden. Momenteel wordt er te veel aandacht besteed aan het instampen van vaardigheden terwijl er minstens evenveel nadruk dient gelegd te worden op de andere aspecten van het leerproces. Dat aanleren en verbeteren van vaardigheden werkt trouwens veel beter door middel van “drill training” (het intensief en op korte termijn aanleren). Het opvoeden van kinderen om ze op een explorerende en creatieve manier te laten gebruikmaken van die vaardigheden is gebaseerd op relaties tussen partners die al enkele sleutels bezitten met toegang tot de in en door de gemeenschap vergaarde kennis. Dit leren is immers gebaseerd op de opvatting dat ontwikkeling voor allen tevens ontwikkeling door allen betekent.

Vandaag staat de maatschappij dus voor een duidelijke keuze: ofwel wordt er vastgehouden aan het geloof dat geïnstitutionaliseerd leren een product is dat onbeperkte investeringen rechtvaardigt (en kan de huidige economische orde van vraag en productie voortbestaan) ofwel herontdekt men dat wetgeving, planning en investeringen gebruikt moeten worden om de belemmeringen weg te werken die nu in de weg staan voor zinvol leren als een persoonlijke activiteit. 

Top

Ine Rens & Jolien Wouters