U bent hier: Faculteit PPW Alumni APPeL ‘Het is pijnlijk’. Interview met Jan Van Damme over de hervorming van het secundair onderwijs

‘Het is pijnlijk’. Interview met Jan Van Damme over de hervorming van het secundair onderwijs

door Joris Van Puyenbroeck

De nota van de hervorming secundair onderwijs heeft al tot veel commotie geleid. Vooraleer Kris Peeters pleitte voor een stapsgewijze hervorming van het secundair onderwijs, had de minister-president in juni al eens aan de noodrem getrokken nadat de N-VA en de sp.a hierover met elkaar in de clinch waren geraakt. Naar aanleiding van dit voorval trok LAPP in de zomer van 2012 naar Prof. em. Jan Van Damme, met de vraag om zijn licht te laten schijnen op deze kwestie. Zijn suggesties blijven geldig en overstijgen het politieke gekrakeel.
 

De commissie Monard heeft een nota over de toekomst van het secundair onderwijs afgeleverd. Wat is uw oordeel?
Het is wat raar dat Monard, iemand die lange tijd het beleid rond het secundair onderwijs vorm heeft gegeven, zichzelf via deze commissie heeft mogen evalueren. Een goede, onafhankelijke analyse is nooit gebeurd. Het is een evaluatie vanuit een overtuiging, niet op basis van onderzoek. Typisch voor het Vlaams onderwijsbeleid: een gebrek aan professionalisering. Met als gevolg de ideologische discussie die we nu meemaken tussen voor- en tegenstanders van comprehensief onderwijs.

De voorgestelde hervorming vertrekt vanuit de vaststelling dat er een verband zou zijn tussen gelijke kansen en de duur van de gemeenschappelijke stam. Hoe langer leerlingen samen in hetzelfde leertraject blijven -het zogenaamde ‘comprehensief’ onderwijs- hoe beter de zwakkere leerlingen achteraf presteren. Dit in tegenstelling tot het huidige systeem, waar leerlingen uit het beroepsonderwijs snel achterop hinken wat betreft algemene kennis.
Over onderzoek tussen sociale afkomst en prestaties, en de efficiëntie van het huidige systeem op dat vlak, merk ik op dat het niet verwonderlijk is dat men slechte prestaties vindt bij sociaal zwakkere leerlingen, vooral als je weet dat de prestaties afgemeten worden via algemene kennis. Als je het specifieke van wat men bijbrengt aan leerlingen uit het technisch of beroepsonderwijs, niet meet, dan is het normaal dat zij slechter presteren. Men ziet een correlatiecoëfficiënt en men gebruikt deze om een idelogische keuze te verantwoorden.

Waar het om draait is dat de keuze voor beroeps- of technisch onderwijs een positieve keuze moet zijn, zeker in de aanvangsjaren. Dit in tegenstelling tot het B-attest. De school mag niet zeggen: “jij bent te zwak”. Als zwakkere leerlingen een uurtje meer nodig hebben voor algemene vakken, geef ze dat dan. Zeg niet dat ze niet goed genoeg zijn.  Dat zorgt voor negatieve keuzes. Het onderscheid tussen ‘moderne’ en ‘techniek’ moet verdwijnen. Niemand mag verplicht worden om op 13-jarige leeftijd te kiezen voor een beroeps- of technische opleiding. De school moet een aangepast aanbod doen met algemene vakken. Wie dan een beroeps- of technische opleiding kiest, maakt een positieve keuze.

Hoe ziet een goede hervorming er volgens u uit?
Bij de start kan men niet anders tamelijk vlug verregaand differentiëren. In een verbeterd onderwijs zullen de verschillen tussen leerlingen misschien alleen maar groter worden. In interationaal vergelijkend onderzoek zie je dat momenteel de sterkere Vlaamse leerlingen achterblijven. Bij een verbetering van het lager onderwijs zullen zij nog meer dan zwakkere leerlingen profiteren.  Goed onderwijs zal iedereen verderbrengen, ook de sterkere. In Vlaanderen zegt men dat de verschillen tussen sterkere en zwakkere leerlingen slecht zijn. Ik lees in Nederlandse onderzoeksrapporten precies het omgekeerde. Variatie tussen leerlingen is neutraal: niet goed of slecht. Als veel zwakkere leerlingen achterblijven is dat slecht, maar als sterkere leerlingen voorop lopen, is dat dan ook slecht? Niet de variatie, maar de criteria zijn van belang. Heel het onderwijs moet m.a.w. verbeteren om de zwakkeren de minimumdoelstellingen -de eindtermen- te laten halen.

Wat is uw mening over de keuze in de tweede graad: arbeidsgericht (A), doorstroomgericht (D) of beide (AD)?
Wie gaat daar in lopen, in naamsveranderingen? Niemand.  Men ervaart de huidige onderwijsvormen (ASO, TSO, BSO, nvdr) en het watervaleffect als een probleem.  Maar hoe men het ook draait of keert, de onderwijstypes zullen in één of andere vorm altijd blijven bestaan.Waarom mogen we ze dan ook niet zo benoemen? Het probleem zijn niet de vormen, maar het feit dat iedereen op hetzelfde moment moet kiezen, bij het begin van het derde jaar. Men is nog niet tot die conclusie gekomen, terwijl het evident is. Vroeger koos men pas op het einde van het derde jaar, en kon je nog eens kiezen in het vijfde jaar. Het beleid heeft het watervaleffect zelf gecreëerd door leerlingen te vroeg te laten kiezen. Dat werkt niet. En wat doet men nu?

De onderwijsvormen afschaffen en belangstellingsgebieden creëren.
Ook dat gaat niet werken, om de eenvoudige reden dat leerkrachten niet gewend zijn om de belangstelling van een kind te meten, wel het prestatieniveau.

Een relatief vroege keuze qua belangstelling  is enkel belangrijk voor zij die een beroepsrichting kiezen. Voor de anderen is het van minder belang. Ik bezoek veel scholen, overal ter wereld. Nergens moet men op 14 jaar een belangstellingsgebied kiezen. Nergens. Men vindt dat uit, men heeft het niet onderzocht, het is een lekker idee, het klinkt niet slecht. Maar het gaat niet werken. Het is eigenlijk te pijnlijk voor woorden. Er zijn zeer goede , duidelijke en specifieke ingrepen mogelijk in het algemeen secundair onderwijs, maar de overheid wil niet volgen.

Hebt u dan ideeën rond specifieke maatregelen in het secundair onderwijs?
In elke tweede graad moet er een technisch vak komen. Toegepaste wetenschap moet interessant worden voor leerlingen. Laat ook ASO-leerlingen er van proeven, zodat ze er er in het vijfde jaar bewust voor kunnen kiezen. Waarom niet? Om de ongekwalificeerde uitstroom te beperken, moet men meer werken aan de binding tussen leerling en school.  Ik lees dat de oplossing volgens de overheid is om minder leraren meer vakken te laten geven. Is men vergeten dat men de lerarenopleidingen zodanig hervormd heeft dat leraren zich meer moet specialiseren? Het is belangrijk dat leerlingen bepaalde leraren over verschillende jaren heen blijven zien. De continuïteit is belangrijk. Men kan ook een aantal vakken programmeren over jaren. Artistieke opleiding kan een essentieel onderdeel van algemeen onderwijs worden, maar dan moeten keuzes gemaakt worden. Nu heeft iedereen een uurtje hier een uurtje daar. Alles blijft half beperkt en bijgevolg half vervelend. Waarom doet elke school geen eigen aanbod? Een leerling kiest een artistieke interesse voor vier jaar, en er is een leraar die die leerling  over die periode volgt. Volgens mij zou zo’n maatregel veel meer kans hebben om de ‘uitval’ in het onderwijs succesvol te verminderen.

Tot slot, men maakt een vergelijking met Finland waar comprehensief onderwijs wel werkt.
In Finland beginnen kinderen pas op 7 jaar aan het lager onderwijs. Moeten we in Vlaanderen daarom ook het kleuteronderwijs afschaffen? De discussie is sloganesk. Ik ben voor comprehensief onderwijs, maar dan niet in de zin van ‘voor iedereen hetzelfde’. Ik heb wat heimwee naar de lagere en hogere cyclus. Als we die hadden kunnen behouden, dan waren er minder problemen geweest. De middenscholen zijn herleid geweest tot twee jaar. Dat is geen gelukkige zaak gebleken.  In mijn ogen wil de overheid met het comprehensief onderwijs de negatieve gevolgen van een vorige hervorming bestrijden, zonder een goede, inhoudelijke analyse van het probleem. Ze focust op nevenaspecten, en ze creëert zelf negatieve effecten. Men werkt op basis van perceptie. in de realiteit zal deze hervorming niks veranderen. Het is trouwens ook beschamend voor ons  als onderzoekers. We zijn er totnogtoe niet in geslaagd om gezamenlijk een onderbouwd voorstel te doen naar de overheid. Maar wat niet is, kan nog komen (grijnst).