U bent hier: Faculteit PPW Algemeen Een korte geschiedenis

Een korte geschiedenis

De Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Katholieke Universiteit Leuven werd in 1967 opgericht. Ze is echter gegroeid uit een veel ouder instituut, één van de oudste, dergelijke instituten van Europa en de wereld. De oorsprong van de Faculteit houdt namelijk nauw verband met de ontwikkelingen van de filosofie.

mercier2.jpg
wundt2.jpgIn 1889 richtte Mgr. D. Mercier in Leuven het befaamde Hoger Instituut voor Wijsbegeerte op, een instituut dat een belangrijke rol zal gaan spelen bij de internationale ontwikkeling van de filosofie.

Tien jaar eerder, in 1879, werd in Leipzig het eerste psychologisch laboratorium door W. Wundt opgericht.

 

thiery2.jpg

A. Thiéry de eerste professor in de psychologie van het nieuwe instituut in Leuven, ging naar Leipzig om in Wundts Labo te studeren.
In 1892 richtte hij zijn eigen psychologisch laboratorium in het Leuvense Hoger Instituut voor Wijsbegeerte op. Zijn briljantste student was de jonge Albert Michotte van den Berck die, na zijn studies in de filosofie, psychologie en fysiologie, in het Leuvense laboratorium als medewerker en docent terecht kwam. Van in het begin omarmde hij het bredere perspectief van de Duitse Würzburger School, en werkte hij samen met O. Külpe. A. Michotte werd snel erkend als één van de meest opmerkelijke psychologen van zijn tijd, en als één van de leidinggevende figuren van de tweede generatie psychologen.


F. Collard, van zijn kant, legde de basis voor een meer beroepsgerichte opleiding voor leerkrachten voor het secundair onderwijs, niet alleen in Leuven, maar ook aan de andere Belgische universiteiten. Zijn inspanningen en die van andere Belgische collega’s werden beloond toen op 10 April 1890 een wet werd goedgekeurd die de lerarenopleiding aan de universiteiten regelde. De twee hoekstenen van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen werden dus reeds voor het einde van de 19de eeuw gelegd.

Ondertussen werkten een aantal jonge wetenschappers aan hun doctoraat in Michottes laboratorium aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. Zij zouden later hoogleraren worden aan verscheidene Belgische en buitenlandse universiteiten. Om er slechts enkele te noemen: F. Aveling (Londen), F. Roels (Utrecht), Galli (Milaan) en F. Fransen (Gent).

michotte2.jpgIn 1912 werkte A. Michotte aan de beginselen van de Gestalt Psychologie; werk dat parallel verliep, maar onafhankelijk van de Frankfurt School. In datzelfde jaar richtte de Poolse J. Ioteyko de “Faculté internationale de Pédologie” in Brussel op. Merkwaardige samenloop van omstandigheden misschien, maar 1912 was ook het jaar waarin E. Claparède zijn “Ecole des Sciences de l’Education” in Genève oprichtte. Al deze werkzaamheden werden onderbroken door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). In 1919 richtte de Vrije Universiteit Brussel (Université Libre de Bruxelles) een Instituut voor Opvoedkunde op waar onder andere O. Decroly en J. Demoor werkzaam waren.

In 1923 namen A. Michotte en de Rector Magnificus Mgr. A. Ladeuze een nieuw initiatief: de oprichting van een "École de Pédagogie et de la Psychologie appliquée a l'Éducation" (School voor Opvoedkunde en Toegepaste Psychologie van de Opvoedkunde). Zo werd het "Hoger Instituut voor Wijsbegeerte" de "Faculteit Letteren en Wijsbegeerte". De kern van de School voor Opvoedkunde en Toegepaste Psychologie van de Opvoedkunde werd gevormd door enerzijds A. Michotte en zijn student A. Fauville, wat de psychologische disciplines betreft, en anderzijds de jonge R. Buyse, als specialist in didactiek en experimentele opvoedkunde, en de vermaarde F. Collard, de grondlegger van de lerarenopleiding in Leuven, wat de pedagogische onderwerpen betreft. Collard doceerde historische pedagogiek en didactiek van het secundair onderwijs. Buyse had aan de Internationale Faculteit in Brussel gestudeerd en samengewerkt met O. Decroly. De opleiding aan de nieuwe School werd vervolledigd door toevoeging van een cursus over fundamentele pedagogiek en een aantal cursussen uit de opleidingen in de filosofie, geneeskunde, natuurkunde en rechten. De opleiding duurde in eerste instantie twee jaar voor een licentiaatsdiploma, gevolgd door een derde jaar voor het doctoraat.

In 1930 werd de opleiding in twee cycli geherstructureerd: een tweejarige kandidatuur en één vervolgjaar voor het licentiaatsdiploma. Een verdere hervorming vond plaats in 1936 waarbij de structuur van de opleiding werd gelijkgesteld aan de opleiding in Letteren en Wijsbegeerte: een tweejarige kandidatuursopleiding en een tweejarige licentiaatsopleiding, optioneel gevolgd door een doctoraatsproefschrift.

Deze structuur werd behouden tot 1940. Het moet worden opgemerkt dat gedurende die periode de meeste cursussen in het Frans werden gedoceerd, met slechts enkele cursussen in het Nederlands. De eerste stappen naar het doceren en publiceren in het Nederlands werden gezet in 1932, toen A. Decoene, een student van Mercier, een reeks van lezingen over de beginselen van de opvoeding in het Nederlands presenteerde.

Ondanks de uiterst beperkte middelen verwierf het wetenschappelijke onderzoek dat gedurende deze periode aan de School werd uitgevoerd een wereldwijde reputatie. A. Michotte was één van de bekendste onderzoekers in dit gebied, terwijl R. Buyse een internationale rol speelde op het nieuwe domein van de experimentele pedagogiek en de didactiek. In de bibliotheek van de Faculteit Psychologie en Pedagogische staat trouwens een unieke collectie psychologische onderzoeksinstrumenten die vernoemd werd naar professor Michotte (klik hier voor meer info). A. Decoene werd later gastprofessor aan de Université Laval in Montréal (Canada). De Leuvense school was bijzonder invloedrijk in Latijns-Amerika, met name in Bogota (Columbia) waar R. Buyse als gastprofessor doceerde en in Lima (Peru) waar hij hielp om de School voor Opvoedkunde op te richten. Sommige leden van het academisch personeel van deze school werden opgeleid in Leuven, namelijk Dr. M. Herrera Calderon en Dr. Mas Alcedo.

In Santiago (Chili) kregen Dr. Hustado Cruchago en Dr. E. Godenir een aanstelling; beiden waren afgestudeerden uit Leuven. Zelfs in China werd in deze periode een School voor Opvoedkunde aan de Universiteit van Peking opgericht. M.E. Tshang Hwai bereidde dit voor in zijn doctoraatsproefschrift aan de School in Leuven, onder leiding van R. Buyse. Verschillende Leuvense alumni werden docenten aan de Université de Montréal (Canada). Een andere leerling van A. Michotte, J. Donceel werd aangesteld als hoogleraar algemene psychologie aan de Notre Dame University in New York.

nuttin2.jpgDe Leuvense School trok studenten van verscheidene Europese landen aan, die uiteindelijk bekende hoogleraren en onderzoekers werden, zoals J. Zaragüeta (Spanje), E. Montalta (Zwitserland), P. Fraisse (Frankrijk), E. Planchard (Portugal), C. Klosak en A. Zaniewski (Polen), en I. Caruso (Rusland en later Oostenrijk). Verschillende toekomstige hoogleraren van het Instituut, waaronder J. Nuttin Sr., R. Dellaert, V. D’Espallier en G. de Montpellier, kregen ookhun opleiding aan de School. Ondertussen had het werk van A. Michotte in de psychologie en R. Buyse in de experimentele opvoedkunde voor een stevige internationale reputatie gezorgd.


Van 1941 tot 1943 onderging de School verschillende veranderingen. Ze werd omgevormd tot een "Instituut voor Toegepaste Psychologie en Opvoedkunde", nog steeds verbonden met de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Tezelfdertijd werd een afzonderlijke cursus ontwikkeld voor studenten van andere faculteiten, voornamelijk studenten geneeskunde. Dit toont aan hoe toegepaste psychologie in verscheidene domeinen zijn intrede deed, zoals in de beroepsoriëntering, het bedrijfsleven en de psychiatrie. Sinds die tijd was er een Nederlandstalige sectie naast de Franstalige.


J. Nuttin Sr. nam de taak op zich om de nieuwe Nederlandstalige sectie van het Instituut te organiseren, met daarbij de klemtoon op de psychologie, zoals Michotte vóór hem had gedaan. V. D'Espallier assisteerde hem bij de uitbouw van de pedagogische wetenschappen. Het Instituut volgde de ontwikkelingen in beide domeinen op de voet en verwierf snel een plaats in de internationale wereld van onderzoek en theorievorming. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) trok het gereorganiseerde instituut veel studenten uit Nederland aan. J. Nuttin Sr. was in staat om, samen met zijn collega’s, de internationale traditie van Michotte op een uitstekende manier verder te zetten. Dit was een periode waarin een grote uitbreiding in de psychologieopleiding plaats vond. Differentiële psychologie (persoonlijkheidspsychologie) werd geïntroduceerd en algemene en experimentele psychologie werden verder ontwikkeld.

 

In 1961 leidde dit tot een andere verandering die een duidelijke illustratie vormt van de ontwikkelingen die hadden plaatsgevonden: het Instituut veranderde van naam en werd het Instituut voor Psychologie en Opvoedkunde. Twee jaar later werd de officiële naam weer veranderd tot het Instituut voor Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, nog altijd binnen de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Deze verandering toont dat de pedagogische wetenschappen hun eigenheid begonnen op te nemen; een weerspiegeling van de veranderingen die op dat moment in dat domein aan de gang waren.

Ondertussen was het door een verrassend grote instroom van studenten en zorgvuldige voorbereidingen voor nieuwe stafmedewerkers mogelijk geworden om de opleiding te herstructureren. Twee min of meer equivalente groepen kwamen naar voor, met tamelijk onafhankelijke curricula, één voor psychologie en één voor pedagogische wetenschappen. Meest spectaculair op dat moment was de manier waarop het studentenaantal binnen de tweede groep steeg, omwille van een stijgende vraag op de arbeidsmarkt. De opleidingen in de tweede cyclus, het licentiaatsgedeelte van het curriculum, werd opgedeeld in verschillende richtingen, maar de diploma’s behielden hun naam "Licentiaat" in de Psychologie en "Licentiaat" in de Pedagogische Wetenschappen.

In de psychologieopleiding ontstonden vier richtingen:

  1. Bedrijfs- en economische psychologie (1961-62)
  2. Schoolpsychologie en beroepsoriëntering (1962-63)
  3. Klinische psychologie (dat vanaf 1965 een driejarige opleiding werd)
  4. Experimenteel en fundamenteel onderzoek (1962-63).
     

Het curriculum voor pedagogische wetenschappen werd ook in vier richtingen ontwikkeld:

  1. Onderwijskunde
  2. Psychopedagogiek (leerlingenbegeleiding)
  3. Orthopedagogiek
  4. Sociale pedagogiek.
     

Recent zijn richtingen B en C in de opleiding pedagogische wetenschappen samengesmolten. Ook in deze opleiding hebben hervormingen en veranderingen plaatsgevonden, en die hebben verdere differentiatie en wederzijdse verrijking opgeleverd. Orthopedagogiek werd een driejarige opleiding en omwille van andere nieuwe ontwikkelingen werd ook de eerste cyclus herzien. Zo ontstond een evenwichtige structuur die het mogelijk maakt om op een flexibele manier op de arbeidsmarkt in te spelen. Naast de bovenvermelde curricula werden nieuwe postgraduaatopleidingen geïntroduceerd in de vorm van seminaries en lezingenreeksen die tot speciale diploma’s en certificaten leidden. Eén bijzondere ontwikkeling op dit niveau was de introductie van een postgraduaatopleiding in de Sociale en Culturele Antropologie, die leidde tot een speciaal diploma en een speciaal doctoraat.

De veranderingen binnen het Instituut werden uiteraard beïnvloed door de verdere ontwikkeling van de universiteit als geheel, evenals door de bredere maatschappelijke veranderingen. Gevolg gevend aan de trend naar federalisering in België, werd de unitaire "Universitas Catholica Lovaniensis" gedurende de turbulente jaren 1966-1968 opgesplitst in twee autonome universiteiten. Enkele belangrijke hervormingen vonden tijdens deze periode plaats. In 1967, ten gevolge van hervormingen en eveneens door het spectaculair groeiende aantal studenten, werd het Instituut een onafhankelijke Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. De architect van de nieuwe structuur, J. Nuttin Sr., was vanzelfsprekend de eerste decaan. Ten gevolge van verdere hervormingen in de universiteit als geheel (de zogenaamde departementalisatie) slaagde de Faculteit erin om zijn twee groepen om te zetten in twee departementen: het Departement Psychologie en het Departement Pedagogische Wetenschappen.

 

Gedurende deze naoorlogse periode bestendigde het Instituut en nadien de Faculteit zijn internationale reputatie. A. Michotte werd doctor honoris causa van Cambridge University. Eredoctoraten werden uitgereikt aan de professoren F. Bartlett (UK), H. Murray (USA), H. Thomae (Duitsland), J. Bruner (USA, destijds UK), P. Freire (Latijns-Amerika, destijds Zwitserland), C. Argyris (USA), W. Welling (Nederland), R. Glaser (USA), B. Simon (UK), R. Zajonc (USA), E. Pöggeler (Duitsland), D. Broadbent (UK), R. Snow (USA), R. Sternberg (USA), T. Popkewitz (USA), en W. Levelt (Duitsland). In de verschillende gebieden van zowel de psychologie als de pedagogische wetenschappen is men in staat geweest om buitenlandse onderzoekers aan te trekken, en de gerichtheid op internationale ontwikkelingen is tot op de dag van vandaag één van de kenmerken van de Leuvense onderzoeksgroepen.

pedinst.jpg

faculteit.jpg Ruimteuitbreiding en het vinden van een permanent onderkomen zijn een probleem gebleven. Voor het Departement Psychologie werd het probleem in 1974-1975 opgelost, met de inhuldiging van een nieuw gebouw in de Tiensestraat. Voor het Departemen Pedagogische Wetenschappen kwam aan de zwerftocht een einde toen in 1977-78 een gerestaureerd gebouw in de nabijgelegen Vesaliusstraat werd geopend. Er zijn momenteel dus twee departementen binnen de faculteit, elk met hun eigen instituut: het Psychologisch Instituut of Michotte instituut (Tiensestraat 102) en het Pedagogisch Instituut of Vives Institute, genoemd naar de bekende Spaans-Duitse humanist en pedagoog J.L.Vives, gewezen hoogleraar aan de oude Leuvense Universiteit. Beide instituten liggen in de stadscampus, dichtbij het beroemde Hoger Instituut voor Wijsbegeerte waar het allemaal begon aan het einde van de negentiende eeuw.